Experimenteel onderzoek Passend Werkaanbod bij UWV

  • Posted By: ,
  • Nov 2016

In Nederland zijn experimenten om vast te stellen wat de netto-effectiviteit is van re-integratie-instrumenten, nauwelijks toegepast. Ook het aantal studies dat gebruik maakt van geavanceerde niet-experimentele methoden is vrij klein. Daarom bestaat na veertig jaar investeren in re-integratie nog steeds grote onduidelijkheid over de effectiviteit ervan. Dit is voor de Tweede Kamer aanleiding geweest om het ministerie van SZW te vragen om experimenten op te (laten) zetten voor een valide effectmeting. In dit rapport wordt verslag gedaan van de uitkomsten van één van de twee experimenten met WW-klanten bij UWV: het Passend Werkaanbod (PaWa). Het andere experiment heeft betrekking op het experiment intensieve dienstverlening versus basisdienstverlening. Over de experimenten bij gemeenten is al eerder gerapporteerd.

In dit rapport worden de resultaten gepresenteerd van een experiment waarmee de netto-effectiviteit is bepaald van het instrument Passend Werkaanbod (PaWa). UWV zet dit instrument in voor WW’ers die tenminste 52 weken onafgebroken recht op een WW-uitkering hebben. Een PaWa bestaat uit maximaal twee gearrangeerde gesprekken met werkgevers.

Conclusie is dat PaWa een klein positief effect op de uitstroomkans naar werk heeft, dat niet significant is. Hierbij moet worden aangetekend dat de uitvoering van het PaWa-experiment problemen heeft gekend, waardoor een zuivere vaststelling van het effect werd bemoeilijkt.

PaWa maakt onderdeel uit van de Wet tot wijziging van de WW in verband met het vergroten van de kansen op werk voor langdurig werklozen. Doel van deze wet is om belemmeringen voor werkhervatting voor langdurig werklozen weg te nemen en de activerende werking van de WW te versterken. In het experiment was het niet de opzet dat iedereen uit de groep met het label ‘Wel PaWa’ ook een PaWa-aanbod kreeg, maar dat dit wel bij iedereen uit deze groep overwogen zou worden. Er was vooraf vanuit gegaan dat ongeveer de helft van de groep die in aanmerking kwam voor PaWa feitelijk een PaWa-aanbod zou krijgen. De groep met het label ‘Geen PaWa’ zou in ieder geval geen PaWa-aanbod krijgen. In de praktijk heeft slechts een kwart van de PaWa-groep feitelijk een PaWa-aanbod gekregen. En om dit laatste percentage te realiseren was het zelfs nodig om het experiment te verlengen.

Uit het onderzoek blijkt dat het totale netto-effect van PaWa, zowel in geval van uitstroom naar een baan als uitstroom uit de uitkering, klein en niet significant is. Omdat maar ongeveer een kwart van de PaWa-groep feitelijk een PaWa-aanbod heeft gekregen, zou het werkelijke effect op de individuele baankans groter kunnen zijn dan wij hebben gemeten. Maar ook dan is het nog klein, maximaal zo’n vier procentpunten. En doordat het gevonden effect niet significant is zou het ook negatief kunnen zijn.

Publicatie: