Experimenten in het re-integratiedomein

Al decennialang worden in Nederland maatregelen uitgevoerd om de herintreding van werklozen in de arbeidsmarkt te bevorderen. Of deze maatregelen helpen is altijd onduidelijk geweest. Vaak werd wel gemeten hoeveel werklozen uit de uitkering uitstroomden en hoeveel daarvan een baan kregen na deelname aan een re-integratiemaatregel, maar dat zegt weinig, want er zijn werklozen die ook zonder deelname zo’n re-integratiemaatregel uitstromen en een baan vinden. De kernvraag is: nemen uitstroom uit de uitkering en instroom in een baan toe door deelname aan een re-integratiemaatregel?

De meest betrouwbare methode is een experiment waarbij een potentiële groep deelnemers aan re-integratie willekeurig in twee deelgroepen wordt verdeeld: a) een deelgroep die een re-integratiemaatregel krijgt (de experimentele groep), en b) een deelgroep die de maatregel niet krijgt (de controlegroep). Door beide groepen over voldoende lange tijd te volgen kan dan worden nagegaan of de experimentele groep eerder uitstroomt en eerder een baan vindt dan de controlegroep. Door de randomisatie is –  bij voldoende grote aantallen  - gegarandeerd dat beide groepen dezelfde kenmerken hebben, ook kenmerken als motivatie die moeilijk meetbaar zijn. Dit laatste is een belangrijk voordeel ten opzichte van controlegroep-benaderingen die niet op randomisatie berusten. Als zeker is dat beide groepen dezelfde samenstelling hebben, kunnen verschillen in resultaten geheel aan de maatregel worden toegeschreven.

Dit onderzoeksrapport dat SEOR samen met Regioplan heeft opgesteld doet verslag van zes succesvol uitgevoerde experimenten bij vier gemeenten: Enschede, Helmond, Nijmegen (2) en Rotterdam (2). Bij twee experimenten is vastgesteld dat re-integratie positieve significante effecten heeft. Dit geldt in de eerste plaats voor het  Rotterdamse experiment Werk Loont. Zodra mensen zich in Rotterdam aanmelden voor een bijstandsuitkering horen ze dat ze, als ze na een inspanningsperiode van vier weken nog geen werk hebben en een uitkering krijgen, deel moeten nemen aan Werk Loont. Dit is een programma van maximaal 15 weken waarin uitkeringsgerechtigden training krijgen maar ook moeten werken. Uit ons onderzoek blijkt dat het vooruitzicht om aan Werk Loont deel te moeten nemen een deel van de mensen die zich aanmelden afschrikt om in een uitkering te komen: van de controlegroep komt een groter deel in een uitkering dan van de experimentele groep. Verder blijkt dat binnen de waarnemingsperiode, die maximaal een jaar is gerekend vanaf het begin van de uitkering, de experimentele groep korter een uitkering heeft dan de controlegroep en langer aan het werk is. Beide verschillen zijn statistisch significant. Bij de Nijmeegse maatregel Inspanningsplan, ook een maatregel aan het begin van de uitkeringsperiode, vinden we ook dat de experimentele groep significant langer aan het werk komt, maar is het preventie-effect niet significant.

Bij de vier andere experimenten zijn de gevonden effecten klein en niet significant. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat deze maatregelen betrekking hebben op mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en/of het karakter hebben van een eerste stap in het re-integratieproces.  Eén van deze maatregelen betreft bijvoorbeeld screening van werklozen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt waarbij mensen die daarvoor geschikt blijken in aanmerking komen voor verwijzing naar vacatures door sectorteams. De gemeente Rotterdam had hier veel van verwacht maar de maatregel in de toegepaste vorm blijkt niet effectief.

Voor alle experimenten geldt dat de effecten op de duurzaamheid van de arbeidsinpassing en de kwaliteit van de gevonden banen klein en niet significant zijn.

De resultaten zijn niet representatief voor het re-integratiebeleid in Nederland. Hoogstens kan worden vastgesteld dat onze resultaten voor maatregelen aan de kop van het uitkeringsproces sporen met andere onderzoeken naar soortgelijke maatregelen. Dat de onderzochte maatregelen niet landelijk representatief zijn komt doordat veel gemeenten geen experimenten wilden of konden uitvoeren. Bij de meeste gemeenten zijn de aantallen deelnemers aan re-integratie te klein om een zinvol experiment te kunnen uitvoeren. Maar grote gemeenten staan ook niet te trappelen. Zij zijn vaak overtuigd van de effectiviteit van hun maatregelen en zien een experiment als een financieel risico, omdat dit gepaard gaat met het uitsluiten van een deel van de uitkeringsgerechtigden (de controlegroep) van deze maatregelen.  Verder wordt het uitsluiten van uitkeringsgerechtigden van deelname aan maatregelen waarvan men overtuigd is van de effectiviteit als onethisch gezien. De veronderstelde effectiviteit is overigens twijfelachtig: de bevindingen uit internationaal onderzoek wijzen uit dat re-integratiemaatregelen lang niet altijd effectief zijn. Ten slotte blijkt het voor gemeenten lastig te zijn om experimenten goed uit te voeren. Van de negen experimenten die zijn uitgevoerd bij gemeenten hebben er drie om die reden geen bruikbare resultaten opgeleverd. Op grond van de ervaringen hebben we in ons rapport aanbevelingen opgenomen voor de uitvoering van experimenten in de toekomst. Kernpunt is de noodzaak van verdere professionalisering van de uitvoeringsorganisaties wat betreft de evaluatie van hun re-integratiebeleid. Dit geldt niet alleen voor gemeenten maar ook voor de UWV. Ons onderzoeksproject omvat ook enkele experimenten bij de UWV. Over de resultaten daarvan wordt later gerapporteerd. Maar de ervaringen in de uitvoering van deze experimenten zijn wel in dit rapport meegenomen.   

 

Opdrachtgever: Ministerie van SZW

Projectleider en contactpersoon: Jaap de Koning

Rapport: Jaap de Koning, Paul de Hek, Luuk Mallee, Francien Rosing en Maikel Groenewoud, Uitkomsten en ervaringen experimenten netto-effectiviteit re-integratie, oktober 2010.