Kosten en opbrengsten terugbrengen AOW-leeftijd naar 65 jaar

  • Posted By: , , ,
  • Mar 2017

De AOW-leeftijd is in de afgelopen jaren verhoogd en zal, als het huidige overheidsbeleid wordt voortgezet, verder worden verhoogd. De overheid gaat ervan uit dat het weer terugbrengen van de AOW-leeftijd naar 65 jaar aanzienlijke kosten met zich zou meebrengen en negatieve effecten zou hebben op de arbeidsparticipatie. In deze studie gaan we nader in op een aantal specifieke punten die bij deze afweging van kosten en baten een rol spelen. Het gaat hierbij onder meer om de effecten op de arbeidsparticipatie, het gebruik van uitkeringen en de positie van specifieke groepen als lager opgeleiden.

Alle resultaten overziende kunnen we concluderen dat iets meer dan 40 procent van de bezuinigingen op de AOW-uitgaven door een verhoging van de AOW-leeftijd van 65 naar 67 jaar opgaat aan hogere uitgaven aan andere sociale uitkeringen, inclusief extra uitvoeringskosten hiervoor.

Hoewel een vrij groot deel van de mensen die met de AOW-leeftijdsverhoging te maken krijgt in een andere uitkering komt of blijft zitten, neemt door de verhoging van de AOW-leeftijd het aantal werkzame personen in deze groep duidelijk toe. Er zijn geen aanwijzingen dat het aantal werkzame personen in de leeftijdsgroep direct onder de 65 jaar lager wordt door de verhoging van de AOW-leeftijd; eerder is sprake van het tegendeel, namelijk dat door de AOW-leeftijdsverhoging ook bij deze groep het aantal werkzame personen toeneemt. Mogelijk treedt er enige verdringing van jongeren op, maar het is waarschijnlijk dat het totale aantal werkzame personen in Nederland door de verhoging van de AOW-leeftijd toeneemt.

Voor lager opgeleiden is de verhoging van de AOW-leeftijd, zeker bij mannen, gemiddeld genomen minder gunstig. Omdat zij vroeg zijn gaan werken, hebben ze vaak een lang arbeidsleven en voor zover ze na hun vijftigste of zestigste niet meer werken heeft dit meestal te maken met werkloosheid of arbeidsongeschiktheid. Middelbaar en hoger opgeleiden beginnen later met werken en hebben minder met werkloosheid en arbeidsongeschiktheid te maken. Verder leven lager opgeleiden gemiddeld minder lang en profiteren ze dus gemiddeld een kleiner aantal jaren van de AOW.

Wat betekent dit nu voor het weer verlagen van de AOW-leeftijd van 67 naar 65 jaar? De extra uitgaven aan AOW-uitkeringen die dan gaan optreden bedragen dan jaarlijks circa € 4,7 miljard. Deze extra uitgaven aan AOW worden echter voor ongeveer twee miljard gecompenseerd door inverdieneffecten, doordat met name minder besteed wordt aan uitkeringen voor andere sociale uitkeringen. Per saldo betekent dit een toename van de uitgaven aan uitkeringen van ongeveer € 2,7 miljard per jaar. Daarnaast treedt dan waarschijnlijk een verlies aan werkgelegenheid op dat onder meer gepaard gaat met minder inkomsten aan belastingen en premies. Dit komt dan bovenop de € 2,7 miljard. Een verlaging van de AOW-leeftijd komt tenslotte tegemoet aan het probleem van (vooral laag opgeleide) mensen die vroeg met werken zijn begonnen en voor hun 65ste fysiek aan het eind van hun Latijn zijn.

De bovenstaande exercitie heeft betrekking op het terugbrengen van de AOW-leeftijd van 67 naar 65 jaar. Het is niet gezegd dat de kosten proportioneel verder zullen toenemen als de AOW-leeftijd van een hogere leeftijd dan 67 wordt teruggebracht naar 65 jaar. Denkbaar is bijvoorbeeld dat de extra werkgelegenheidseffecten van een verhoging van de AOW-leeftijd boven de 67 jaar beperkter zijn en dat steeds vaker mensen in een uitkering komen als de AOW verder verhoogd wordt. Daarom is van belang dat voortdurend een vinger aan de pols gehouden wordt welke effecten zich voordoen nu de AOW-leeftijd stapsgewijs verder verhoogd wordt.  

Het onderzoek is een belangrijke input geweest voor het symposium “Terugbrengen van de AOW-leeftijd naar 65 jaar”, georganiseerd door het wetenschappelijk bureau van 50PLUS, dat op 24 februari 2017 heeft plaatsgevonden (http://www.wb50pluspartij.nl/evenement/symposium-aow-leeftijd-naar-65-jaar/).

Publicatie: